Een handsondeerapparaat is een meetinstrument waarmee je de weerstand van de bodem meet. Je drukt een conus met stang de grond in en leest de kracht af op de manometer. Zo zie je hoe sterk of slap de bodem is op verschillende dieptes.
Een handsondeerapparaat geeft je snel inzicht in de weerstand van de bodem. Bouwbedrijven, inspectiebedrijven en onderzoekers gebruiken dit compacte meetinstrument vrijwel elke dag. Het apparaat werkt simpel, maar je haalt pas echt goede meetwaarden uit je onderzoek als je elke stap netjes uitvoert. In dit blog lees je in duidelijke stappen hoe jij jouw meting opzet, uitvoert en verwerkt. Wil je het graag visueel zien? Bekijk dan de handige productvideo van onze leverancier Eijkelkamp. Hierin leggen zij uit waar je op moet letten bij het gebruik van een handsondeerapparaat.
Haal eerst alle onderdelen uit de koffer. Zo zie je direct of alles compleet is. Je legt de conussen, stangen en het meetlichaam klaar. Door zo te starten voorkom je gedoe vlak voor je de meting doet.
Kijk ook naar de staat van de conussen. Een versleten conus geeft onbetrouwbare meetwaarden. Je voorkomt dat door elke conus kort te testen met de meegeleverde mal.
Je kiest de conus op basis van de dichtheid van de bodem. Werk je in zachte grond, dan gebruik je een lichte conus. Werk je in stevige grond, dan neem je een zwaardere uitvoering. Zo werkt het:
Steek de conus in het ronde gat van de mal. De conus mag niet door het gat vallen.
Plaats de conus in de driehoekige uitsparing. De conus moet hier soepel bewegen.
Plaats de conus in de trapeziumvormige uitsparing. De platte rand van de conus mag het ijzer niet raken.
Houd de conus langs de smalle inkepingen. Is de platte rand dunner dan de inkeping, dan vervang je de conus.
Met deze tests weet je zeker dat je met een goed onderdeel begint. Dit voorkomt afwijkingen in je meting.
Draai de gekozen conus op de sondeerstang. Voor diepere metingen gebruik je de verlengstangen. Je monteert de stangen op het meetlichaam. Dit meetlichaam is de manometer die de weerstand laat zien.
Controleer voor je gaat meten eerst de manometer. Staat de zwarte wijzer niet precies op nul, beweeg dan kort de plunjer tot hij terug op nul komt. Zet daarna de rode wijzer met de stelschroef op nul. Pas dan begin je met sonderen.
Op de stang zie je om de vijf centimeter groeven. Die gebruik je als meetpunten. Bij elke groef lees je de waarde af en noteer je het resultaat.
Zorg dat de rode wijzer van de manometer steeds op nul staat. Je zet de wijzer met de stelschroef snel weer terug. Zo blijft je meting strak en overzichtelijk.
Duw de conus met een gelijkmatige druk de grond in. Richt op een snelheid van ongeveer twee centimeter per seconde. Houd de stang zo recht mogelijk zodat je de bodem echt meet en niet de schuine druk van je arm.
Stop bij elke groef. Je leest de waarde af en schrijft deze in je tabel. Zet na het noteren de wijzer weer op nul. Je herhaalt dit proces tot je de gewenste diepte bereikt.
Duw bij elke meetstap niet meer dan 5 centimeter de grond in, lees de waarde af en noteer die in je tabel.
Je rekent de gemeten waarden om naar bodemweerstand. Dat werkt simpel:
Deel de gemeten kracht door de oppervlakte van de conus.
Het resultaat is de weerstand per vierkante centimeter.
Je zet de diepte op de verticale as van je grafiek.
Je zet de weerstand op de horizontale as.
Je tekent een strakke lijn door je punten.
Probeer zoveel mogelijk in het groene bereik van de manometer te meten, ongeveer 200 tot 700 N. Heel lage of heel hoge waarden geven meer afwijking en belasten het instrument zwaarder.
Je krijgt zo een duidelijk profiel van de bodem. Bouwbedrijven gebruiken dit vaak om te bepalen of een fundering stevig genoeg staat. Inspecteurs gebruiken het voor herinspecties. Onderzoekers gebruiken het om bodemopbouw te analyseren.
Maak de stangen en de conus schoon. Je voorkomt zo beschadigingen en vuil in je koffer. Leg alles terug op de juiste plek. Dit maakt je volgende onderzoek makkelijker en je werkt een stuk sneller.
Werk op een vlakke ondergrond. Je voorkomt scheve druk op de stang.
Noteer de locatie van je meting. Bij hercontroles werkt dat veel sneller.
Gebruik een conus die past bij het doel van je onderzoek. Een verkeerde conus geeft afwijkingen.
Let op weerstandssprongen. Die geven vaak overgangen in bodemlagen aan.
Je werkt snel. Je werkt zonder zware machines. Je krijgt direct inzicht in de draagkracht van de bodem. Daardoor helpt het apparaat je bij kleine funderingschecks, inspecties, grondonderzoeken en snelle veldmetingen.
Een handsondeerapparaat past in de koffer en daardoor neem je het makkelijk mee. In stedelijke gebieden of compacte bouwplaatsen werkt dat perfect.
Een handsondeerapparaat is een meetinstrument waarmee je de weerstand van de bodem meet. Je drukt een conus met stang de grond in en leest de kracht af op de manometer. Zo zie je hoe sterk of slap de bodem is op verschillende dieptes.
Je gebruikt een handsondeerapparaat voor licht geotechnisch onderzoek, kleine funderingschecks, inspecties van terreinen en bodemonderzoek op locaties waar geen grote machines passen. Handig bij verbouw, kleinschalige nieuwbouw en onderzoek in stedelijke gebieden.
De meetdiepte hangt af van het aantal verlengstangen dat je gebruikt en van de bodem. Je meet in stappen van vijf centimeter. Per stap duw je maximaal vijf centimeter de grond in en lees je de waarde af op de manometer.
Je kiest de conus op basis van de te verwachten bodem. Voor zachte grond neem je een lichte conus, voor stevige grond een zwaardere. Je controleert de conus met de meegeleverde mal zodat je zeker weet dat hij niet versleten is.
Controleer voor elke meting of de conus nog heel is, of de stangen recht zijn en of de manometer goed op nul staat. Reinig de set na elke klus. Laat de manometer regelmatig keuren zodat je metingen betrouwbaar blijven.
Je noteert de waarde bij elke vijf centimeter diepte. Daarna deel je de gemeten kracht door de oppervlakte van de conus. Zo bereken je de weerstand per vierkante centimeter. Deze waarden zet je uit in een grafiek, met de diepte op de verticale as en de weerstand op de horizontale as.
In de grafiek zie je de lijn naar rechts lopen bij hogere weerstand en minder ver bij zachtere lagen. Sprongen of knikken in de lijn wijzen vaak op een overgang van een zachte naar een stevige laag of andersom.
Je kiest handsonderen bij kleinere projecten, onderzoek op moeilijk bereikbare plekken, inspecties of voor een eerste indruk van de bodem. Voor diepe funderingsonderzoeken of zwaar belaste constructies gebruik je een zwaardere, machinale sondering.
Een versleten conus geeft een vertekend beeld. De vorm en oppervlakte kloppen dan niet meer met de berekening. Merk je tijdens de test met de mal dat de platte rand te dun is of de conus niet meer goed in de uitsparingen past, vervang de conus direct.
Schone conussen en stangen slijten minder snel en blijven langer nauwkeurig. Door alles op vaste plekken in de koffer te leggen zie je bij de volgende klus in één oogopslag of de set compleet is. Dat scheelt tijd op de bouwplaats en voorkomt uitval in je meting.